Er zijn verschillende rentetarieven om rekening mee te houden. Welke verhouding je tot elkaar hebt is doorslaggevend, als de Belastingdienst er naar kijkt, en ook als je voor de rechter tegenover elkaar staat.

Wettelijke rente Belastingdienst

Heffingsrente en invorderingsrente

Als je een belastingaanslag krijgt voor een periode die al voorbij is vergoedt en vraagt de Belastingdienst belastingrente. Als je vervolgens laat bent met betalen komt daar ook nog invorderingsrente bij, vanaf de uiterste betaaldatum van de aanslag.

Sinds 1 januari 2013 zijn de belastingrente en de invorderingsrente gelijk aan de wettelijke rente voor niet-handelstransacties.

Sinds 1 april 2014 gelden voor ondernemersbelastingen (vennootschapsbelasting, omzetbelasting en loonbelasting) de aanzienlijk hogere wettelijke rente voor handelstransacties.

Voor belastingaanslagen over 2011 en eerder was de naam nog heffingsrente in plaats van belastingrente. Als je moet betalen aan de Belastingdienst betaal je invorderingsrente vanaf de uiterste betaaldatum van de aanslag.

Belastingrente (heffingsrente) particulier en invorderingsrente:

Gelijk gesteld aan Wettelijke rente voor niet-handelstransacties, maar nooit minder dan 4%. Behalve dan onder de Coronamaatregelen: tijdelijk (vanaf 23 maart 2020 eist de Belastingdienst slechts 0,01% rente op.

jaar 1e kwartaal 2e kwartaal 3e kwartaal 4e kwartaal
2015 4,00% 4,00% 4,00% 4,00%
2014 oud systeem 4,00% 4,00% 4,00%

 

Belastingrente (heffingsrente) zakelijk:

Voor vennootschapsbelasting geldt een extra hoge rente, die is in principe gekoppeld aan de wettelijke rente voor handelstransacties en wordt twee keer per jaar bijgesteld naar de dan geldende Wettelijke rente voor handelstransactie. Alleen is vanwege Coronamaatregelen een verlaging geweest (waar de politiek in tweede instantie deels op terug kwam).

van tot percentage
1 oktober 2020 31 december 2021 4,00%
1 juni 2020 1 oktober 2020 0,01%

1 september 2016

1 juni 2020 8,00%
1 maart 2015 1 september 2016 8,05%
1 september 2014 1 maart 2015 8,15%
1 april 2014 1 september 2014 8,25%

 

Heffingsrente en invorderingsrente

Dit noemen we momenteel het oude systeem. In 2014 werd een nieuwe systematiek ingevoerd. Aan de ene kant wilde de politiek niet meer dat particulieren een veel hogere rente moesten betalen aan de Belastingdienst dan bij de bank. Aan de andere kant was het niet de bedoeling dat bedrijven veel goedkoper geld konden lenen bij de Belastingdienst dan bij de bank, wat enkele grote bedrijven wel waren gaan doen.

jaar 1e kwartaal 2e kwartaal 3e kwartaal 4e kwartaal
2014 3,00% nieuw systeem nieuw systeem nieuw systeem
2013 2,85% 2,30% 2,50% 2,25%
2012 2,85% 2,30% 2,50% 2,25%
2011 2,50% 2,50% 2,75% 3,00%
2010 2,50% 2,50% 2,50% 2,50%
2009 4,90% 3,50% 2,75% 2,50%
2008 5,30% 4,75% 5,15% 5,45%
2007 4,70% 5,00% 5,25% 5,40%
2006 3,50% 3,75% 4,00% 4,25%
2005 5,00% 5,00% 5,00% 5,00%
2004 3,50% 3,50% 3,50% 3,50%
2003 3,25% 3,10% 2,50% 2,00%
2002 3,45% 3,25% 3,25% 3,25%
2001 4,70% 4,10% 4,45% 4,20%
2000 2,75% 3,25% 4,00% 4,50%
1999 3,25% 3,25% 2,75% 2,75%
1998 3,25% 3,25% 3,25% 3,25%
1997 2,50% 2,50% 3,00% 3,00%
1996 4,00% 3,25% 2,50% 2,50%
1995 5,00% 5,00% 4,50% 4,25%
1994 5,15% 4,90% 5,25% 5,00%
1993 7,10% 6,65% 6,45% 5,55%
1992 12,00% 12,00% 12,00% 7,90%
1991 11,00% 11,00% 11,00% 11,00%
1990 10,00% 10,00% 11,00% 11,00%
1989 8,00% 8,00% 8,00% 8,00%
1988 8,00% 8,00% 8,00% 8,00%

 

Bij betaling van een eerste voorlopige aanslag in een keer wordt een betalingskorting gegeven. Deze betalingskorting bestaat uit de heffingsrente over de periode van de uiterste betalingsdatum tot 1 juli van het jaar waar de aanslag betrekking op heeft.

Jeroen van Rossum, 9 november 2005, JONGSTE UPDATE 5 mei 2021.